Traject

jouw TRAJECT

Je hebt:   een traject te gaan.

een oefening te doen.

een opgave te maken.

een operatie te ondergaan.

een kar te trekken.

een kuur te volgen.

een behandeling te krijgen.

een medicijn te slikken.

een rekening te betalen.

een geloof te belijden.

een les te leren

een feest te vieren

Alles bij elkaar

Je leven te leiden.

veel te doen.

 

Maak het goed.  Zo goed als je kunt.

ben

 

 

Als je me zegt: “Kon ik dat maar …   zal ik je antwoorden: “Je bent al op weg”.

 

 

Laat een reactie achter